Posts tonen met het label informatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label informatie. Alle posts tonen

woensdag 21 december 2011

Salar de Uyuni

Met zout in mijn spijkerbroek, stof in mijn neus en nog steeds een lichte zweem van de knallende koppijn van de afgelopen dagen, nemen we afscheid van Jorge en Richard. Deze twee neven hebben ons, een groep van twaalf Europeanen, de afgelopen drie dagen kennis laten maken met al het moois dat de Boliviaanse hoogvlakten, oftewel de altiplanos, de wereld te bieden hebben.
Bij de Boliviaanse grens, drie dagen daarvoor, wordt onze groep verdeeld over twee jeeps. Joep krijgt, neemt en heeft het voorrecht om met zijn lange benen de hele weg voorin te zitten. De Duitse Andrea en ik nemen de achterbank en de eveneens Duitse jongens Max, Fidel en Percey zitten op de bank in het midden.
De jeeps stoppen regelmatig om ons van het natuurschoon te laten genieten. Andrea en ik klimmen dan van achter uit de jeep, als de Duitse drie niet vergeten de deuren open te laten en te helpen de bank neer te klappen. Richard voorziet het geheel van passend, kort, maar krachtig commentaar, zoals 'gekleurd meer', 'vulkaan', 'flamingo's' en 'woestijn'. Na voorzichtig doorvragen weet hij meestal iets meer te vertellen. Zo weet hij bijvoorbeeld dat het groene meer steeds groener wordt naarmate het harder gaat waaien. Het water komt dan in beweging en in samenspel met de mineralen zorgt dit voor een knalgroene kleur.
Hoewel hij me vertelde dat hij zijn Engels wil oefenen, reageert Richard niet op vragen in het Engels. Daarom is het voorin de jeep vrij stil. Aan het eind van de eerste dag vraag ik hem wat we morgen zullen gaan zien. In geuren en kleuren somt hij op: 'woestijn, meren, vulkanen en wat stenen'. Ook dat belooft een afwisselende dag te worden.
We hebben een prettige groep, het klikt goed en we helpen elkaar of laten elkaar juist met rust als iemand last heeft van de hoogte. De laatste dag gaan we met z'n vijven op de top van de berg achter ons zouthostel de zonsopgang bekijken. Om vijf uur staan we klaar om naar boven te klimmen. Dit is door de hoogte waarop we ons bevinden nog niet zo gemakkelijk en eenmaal op de top krijgen we nog even de tijd om uit te hijgen voordat de zon opkomt. Het deel van de zoutvlakte dat we kunnen zien kleurt mooi bij de aanraking van de eerste zonnestralen en ook de berg waar we op staan, met de typische kandelaarcactussen, krijgt een mysterieuze oranje kleur.
De rest van deze laatste dag staat in het teken van de Salar de Uyuni. De zoutvlakte die 12.000 km² bestrijkt. Onder deze laag zout van zes à zeven meter dik zit water. De jeeps rijden over dit gebied en Joep wil graag weten hoe Richard zich kan oriënteren op dit grote verblindende vlak. 'Ik ken dit gebied gewoon heel goed.' We hadden niet anders verwacht.
Voordat we in het stadje aankomen bezoeken we het zoutwingebied, waar het zout in bergjes opgestapeld wordt door de arbeiders. Van dit zout wordt keukenzout gemaakt voor gebruik in Bolivia. Richard denkt dat het overschot geëxporteerd wordt. Ik probeer hem deelgenoot te maken van ons zouttekort op de Europese wegen, maar de enige reactie is een onbegrijpend lachje.

vrijdag 25 november 2011

Het einde van de wereld

Ushuaia wordt ´het einde van de wereld` genoemd. Het is het zuidelijkste stadje op aarde en ligt in Tierra del Fuego, oftewel Vuurland, Argentinië. Veel reizigers door Argentinië en Chili besluiten ergens in Patagonië te stoppen met hun reis naar het zuiden vanwege tijd- en/of geldgebrek. Toch krioelt het in deze stad van de toeristen die ofwel met het vliegtuig ofwel met de bus, op de veerboot en over onverharde weg gekomen zijn. Deze toeristen komen naast voor de ervaring van het zich bevinden op dit uiterste puntje van de aarde ook voor de natuur en de activiteiten die deze te bieden heeft. Dat blijkt uit de outdooroutfits en de ontelbare daarop inspelende outdoorwinkels die het stadje rijk is. De bebouwing lijkt een Latijns-Amerikaanse versie van het Zwitsers chalet: een deels houten deels gestucte of met cement besmeerde vrolijk gekleurde gevel, een golfplaten dak en nada aan isolatie.
Naast de outdooractiviteiten zorgt een museum, de voormalige gevangenis, voor de nodige afwisseling. De rondleiding wordt geleid door Horacio die de veel te grote groep aankijkt alsof hij de bewaarder is en wij de gevangenen. Het gaat hier helaas niet om een rollenspel, dat zou het half uur misschien nog spannend maken. Er kon zelfs geen sappig waargebeurd en aangedikt verhaal van af. Nee, Horacio houdt van droge kost op monotoom stemgeluid zonder ruimte voor vragen. Zo weten en vergeten we nu hoeveel gangen en cellen het gebouw heeft en waarom, van welke materialen het destijds gebouwd is, dat in de gang waarin we ons nu bevinden dus niets meer origineel is en dat de ruimte waarin nu de gesloten bar zit gebruikt werd als gymzaal.
Terug in het hostel blijkt dat het ´einde van de wereld` ook maar een relatief begrip is. Voor een paar duizend dollar vertrekt een Nederlands stel de volgende dag naar het volgende einde van de wereld: Antarctica.

vrijdag 14 oktober 2011

Cementerio de la Recoleta

In de wijk Recoleta in Buenos Aires ligt het bekende Recoleta Kerkhof, dat in het begin van de negentiende eeuw werd opgericht als eerste publieke kerkhof van de stad. Toen in de jaren zeventig van diezelfde eeuw de gele koorts uitbrak verhuisden de rijken naar deze in het noorden gelegen buurt. Zo werd niet alleen de wijk, maar ook het kerkhof bewoond door de hogere klassen en werd het de rustplek van de "rich and famous" van Argentinië en hun families.
Nou ja, rustplek. Om hier na de dood je rust te vinden zou ik mijn zerk wat achteraf oprichten, want de tuin van de Iglesia de Nuestra Señora del Pilar is een wijk op zich. Gescheiden van de rest van Recoleta door een muur, hekwerk en een imposante ingang met een viertal Dorische zuilen lijkt bij binnenkomst het leven hier gewoon door te gaan. Er zijn op deze bewolkte dag binnen de muren net zoveel toeristen als erbuiten op het plein. Jongeren in schooluniform rennen twee aan twee rond met A4´tjes en fotocamera´s om zo snel mogelijk hun opdracht te vervullen. Een groep Noord-Amerikanen staat uitgebreid en op vol volume het dagprogramma door te nemen, terwijl de gids tegen de rest van de groep gilt dat het volgende graf dat hij zal laten zien echt hi-la-risch is. Iedere toerist die ietwat zoekend om zich heen kijkt, wordt door een medewerker gevraagd of hij of zij het graf van Evita zoekt. Er wordt één graf aangegeven met bordjes, het graf van president Sarmiento, overleden in 1888. Het zal vast een veelbezocht graf zijn, maar het had het vast beter gedaan als er een musical van gemaakt was met, laten we zeggen, John Travolta in de hoofdrol.
Hoe verder verwijderd van de ingang en het centrale plein we door de nauwe straatjes dwalen, hoe meer de rust en het bijbehorende lugubere gevoel het wint van de toeristische hectiek. De meest grootse grafmonumenten zijn hier opgericht. Er zijn schaamteloos complete kerken en gebouwen, versierd met Griekse beelden, ingericht als laatste rustplaats. Sommigen zijn wat verweerd en laten het vervallen interieur zien. We kijken naar binnen en kunnen de grafkelders en kisten, bedolven onder stof en puin, zien liggen. Zoals buiten de muren van het kerkhof de honden (en hun drollen) het voor het zeggen hebben, liggen hier de katten als reïncarnaties hun graf te bewaken.
Als het begint te regenen besluiten we richting de uitgang te gaan. Of misschien toch nog even naar Evita? Om ons beter voor te doen dan we zijn lopen we vastberaden naar de aanwezige plattegrond en kijk ik nonchalant bij de D van Duarte. De eerste blik op de kaart blijkt toch net iets té nonchalant en te kort, want we kunnen het graf niet vinden. We besluiten nog één keer iets langer op de kaart te kijken en onze versie van Op zoek naar Evita nog even voort te zetten. Het lukt, zonder aangesproken te worden door een hulpvolle medewerker. Bij aankomst is Joep toch wat teleurgesteld in de grootsheid van het graf. Ik leg Joep, die de film niet gezien heeft, uit dat alleen al de uiteindelijke plek van haar graf wat contrasteert met haar idealen als rolmodel en strijder voor de "descamisados", oftewel de arme werkende klasse. Daar legt hij zich dan maar bij neer, dat heeft zij tenslotte ook gedaan.

dinsdag 4 oktober 2011

Ode aan Matías en Catalina

Vlak voordat Joep en ik in de nachtbus van Resistencia naar Córdoba stappen stuur ik studievriend Matías een mail dat we de volgende dag in zijn woonplaats zullen aankomen. Meteen die zaterdagavond staat hij, samen met zijn zus Catalina, voor ons hostel om ons op te halen voor een hapje en een drankje. Op zondag halen ze ons op voor een bezoek aan een stadje op 45 minuten rijden verderop: Alta Gracia. Ze laten ons kennismaken met de Argentijnse heerlijkheden, we bezoeken een Jezuïetenvesting en het huis waar Che Guevara is opgegroeid. Ze vertellen ons alles wat we willen weten en nemen ons aan het eind van de dag ook nog mee naar één van de beste ijszaken van Córdoba. Wánt, we hebben geleerd, een Argentijnse zondag is geen zondag zonder ijs.
Zo spenderen zij veel van hun kostbare vrije tijd aan ons. In het Argentijnse bedrijfsleven denkt men namelijk dat hoe meer de werknemer aanwezig is, hoe productiever. Daarom heeft een starter na één jaar recht op maar liefst twee hele weken vrij en dat elk jaar. Na vijf jaar bij dezelfde werkgever prijzen ze zich gelukkig met drie weken vrij per jaar.
We amuseren ons kostelijk met de twee. Catalina, een pittige tante, die veel jaren van haar leven in Nederland heeft gewoond en Nederlands als haar tweede moedertaal heeft en Matías, die ook in Nederland geboren is, maar er veel minder tijd heeft doorgebracht en mede door zijn perfectionisme zijn accentloze Nederlands liever laat voor wat het is, vormen een geweldig stel. In de auto amuseer ik me kostelijk met hun gekissebis over wat we gaan doen, wie nú iets moet verzinnen om te doen en over de route. Als de auto bij een flinke hellingproef een tegesputterend geluid maakt, vraagt chauffeur Catalina waarom de auto dit geluid maakt. ´Waarom moet ík dat weten?´vraagt Matías. ´Nou, mannen weten dat soort dingen,´ antwoordt ze, waarop haar broer zegt: ´Ik niet, ik ben van de literatuur.´
Deze interesse haalt hij ook aan als Catalina en Joep met hun camera´s in de weer zijn en wij een beetje rondlopen op de buitenplaats van de Jezuïetenvesting. Zij zijn van het beeld, wij van de woorden. Daarom Catalina en Matías, voor jullie dit bedankje in woorden. We hebben ons mede door jullie enorm vermaakt in Córdoba. En Matías, woensdag was een leerzaam en gezellig afscheid, tijdens de bijeenkomst op je Universiteit en vooral tijdens het biertje erna. We houden contact. Muchas gracias, nos vemos.

zaterdag 1 oktober 2011

Paraguay voor Dummies

De meeste trotters door Zuid-Amerika slaan Paraguay over. Het ligt net als buurland Bolivia niet aan zee en heeft daarom niet, zoals veel andere landen op het continent, bruisende stranden. Bolivia heeft daarentegen grote toeristische attracties, zoals de zoutvlakten, het Titicacameer en de hoogstgelegen hoofdstad. Toch trekt het ons aan. Niet vanwege de nationale voetbalgekte, maar we zijn toch in de buurt en we weten dat Paraguay het meest pure Zuid-Amerikaanse genoemd wordt. Het heeft nog de meeste oorspronkelijke bewoners en naast het Spaans is Guaraní een officiële taal.
Omdat we tijdens onze week Paraguay alleen drie steden aandoen, zien wij de aanwezigheid van de Indiaanse bevolkingsgroepen voornamelijk in de tegenstellingen. In de hoofdstad Asunción wordt midden op een kruispunt de chaufeur van een glanzend zwarte 4WD bekeurt waarachter een bestuurder op zijn paardenkar zit te wachten tot hij door kan. Op een centraal plein kamperen Indiaanse families met kinderen, in protest tegen regeringsplannen die ervoor gaan zorgen dat velen onteigend worden van hun land, terwijl op een ander plein, tegenover een imposant regeringsgebouw, met een concert en toespraken de nationale jongerendag gevierd wordt.
Paraguay heeft absoluut toeristische trekpleisters, maar ze weten deze goed te verbergen. Het pension in Asunción waar we verblijven heeft geen enkele signalering aan de buitenkant. Geen naam, geen H, niets doet vermoeden dat toeristen hier aan kunnen bellen. Daarnaast is men de omgang met buitenlandse toeristen niet gewend en wordt verwacht dat we alles weten van de dagelijkse gang van zaken in het land en alles kunnen vinden. Als ik aan een buschaufeur in Encarnación vraag of hij naar Trinidad gaat, antwoordt hij met een éénlettergrepig gemompel wat, wat mij betreft, zowel ja als nee als misschien kan betekenen. Na nog een keer vragen en een niet uitnodigende blik neem ik aan dat het een nee was. We vinden na wat gedrentel om het busstation eigenhandig een bus die wel die kant op gaat. Als ik in de rammelende bus op luide toon en duidelijk articulerend aan de bijrijder vraag of hij een seintje kan geven als wij onze bestemming bereikt hebben, hoop ik na het uitblijven van een antwoord dat we niet zoals de vorige keer aan het eind weer mee terug moeten.
Trinidad staat bekend om de Jezuïetenruïnes, waarvan we bij aankomst in het plaatsje bijna vermoeden dat ze tóch nog niet opgegraven zijn, als ware het een grap van de Lonely Planet. Op onze weg van Ciudad del Este naar Encarnación dacht ik toch echt een bordje langs de weg gezien te hebben. Als we de weg de andere kant op rijden ontbreekt elk spoor. Gelukkig stopt de bus wel voor ons (lees: remt voor ons af) en de bijrijder wijst nog snel in welke richting we moeten lopen. Na een tijd lopen vermoeden we dat we toch ergens een zijweg in hadden moeten slaan. De ruïnes staan sinds 1993 op de Werelderfgoed lijst van Unesco en daarom had ik in het plaatsje zelf ook een aanwijzing verwacht. Trinidad is bepaald niet dichtbehuisd of -bevolkt, maar ik vind toch een bouwvakker en later nog een boer om de weg te vragen. We hadden de eerste links in moeten slaan. Als we de ruïnes eindelijk vinden, moeten we nog op zoek naar de ingang. Daar aangekomen blijkt dat we de enige twee bezoekers zijn. De reden hiervoor kan de regenachtige dag zijn, de slechte bewegwijzering of een combinatie van die twee, maar wij vermoeden dat dit nooit een druk bezochte plek is geweest. Dit vermoeden wordt bevestigd door een aanval van een paar vogels, omdat we door hun broedgebied lopen.
Voor iedereen die van plan is Paraguay te bezoeken de volgende tips:
- zoek vantevoren uit waar de interessante plekken zich bevinden of neem een reisgids over het land mee;
- leer Spaans en het liefst ook Guaraní;
- leer omgaan met het miljonairschap, dat ben je namelijk zo in de Paraguayaanse munteenheid de Guaraní;
- wees geduldig;
- zet de knop om en geniet vooral van alle verbazingwekkende en verrassende gebeurtenissen.

dinsdag 27 september 2011

Ciudad del Este: de supermarkt van Paraguay

Na het Argentijnse en Braziliaanse natuurgeweld van de watervallen, storten we ons in het stedelijk geweld van Ciudad del Este in Paraguay. Hoewel deze stad van bijna 400.000 inwoners maar een brug verwijderd is van Brazilië, merken we meteen dat we dat land achter ons gelaten hebben. In deze stad heerst de Braziliaanse chaos in het kwadraat. De straten liggen er een stuk smeriger bij en ook de mensen reageren anders op ons exotische wezens.
Ciudad del Este wordt De Supermarkt van Paraguay genoemd. En dan wordt er niet de vergelijking gemaakt met de nette AH of iets minder nette Aldi, maar een supermarkt in de letterlijke betekenis van het woord: een SUPER-markt. Vanaf de Paraguayaanse douane aan het eind van de brug begint meteen een hoofdweg met aan de rechter- en linkerkant, parallel aan de "vaste bebouwing" van winkels en banken, een paar rijen marktkramen. Tussen die twee zijden dendert het verkeer alle kanten op. De zijwegen zien er ongeveer hetzelfde uit, met een rij kramen minder en eenrichtingsverkeer. Waar nog maar een gaatje te vinden is staat Jan met de pet met zijn kar met fruit of zijn klaptafel met chipa (Paraguayaanse lekkernij). Voor de banken en sommige "vaste" winkels staat bewapende bewaking. De koopwaren verdienen geen originaliteitsprijs; sofahoezen, electronica, horloges, sokken, ondergoed en natuurlijk de eeuwige thermoskan met bijbehorende beker en lepel die ook functioneert als rietje, oftewel termos, matero y bombilla. Dat laatste is hier een belangrijk accessoire en zonder hoor je er eigenlijk niet bij. Ze zijn er in veel kleuren en designs, hoewel ik hier nog wel een spreekwoordelijk gat in de markt zie. Het is bovendien niet alleen een sierobject, maar er wordt ook driftig gebruik van gemaakt. Het dient om de eigen mate of de koude variant tereré in te maken, vervoeren en uit te drinken.
Op straat, en al in en uit de stadsbussen springend, verkopen jonge kinderen koek, snoep, cake en appels. Vooral de appeljongens fascineren me. Met grote manden vol, opgehoogd met stukken karton, slepen ze over straat en springen ze de bussen in, in de hoop een paar appels te verruilen voor Guaranies. Ondanks dit volwassen leven vinden ze af en toe nog tijd om met elkaar te stoeien op straat en op het busstation.
Na één nacht gaan we door, verder naar het zuiden van Paraguay. We nemen een stadsbus naar de busterminal. De stadsbussenvloot bestaat uit stokoude Mercedes Benz-bussen met neus, beschilderd alsof ze óf gebruikt zijn tussen de Volkswagenbusjes om in de jaren 70 naar het Midden Oosten te rijden, óf om een kermisfamilie te vervoeren. De  Mercedes logo´s staan er als peacetekens opgeschilderd samen met alle andere felgekleurde decoratie en namen zoals "Rocio, Carolina y Deisy" of "Jesús y María". De bussen maken zoveel herrie door de oude motoren, gare versnellingsbakken en alle loszittende onderdelen, dat het onmogelijk is een gesprek te voeren of de buschauffeur te horen als hij zegt dat we bij de busterminal aangekomen zijn. We blijven daarom zitten en mogen aan het eind van de rit weer mee terug. Dubbel zoveel plezier!

woensdag 21 september 2011

De Iguazu Watervallen

Onze laatste stop in Brazilië maken we in het stadje Foz do Iguazu. Een stad die, net als het nabij gelegen Argentijnse plaatsje Puerto de Iguazu, overspoeld wordt door toeristen. De reden hiervoor is de inmense en talrijke watervallen van Iguazu. Op de eerste dag besluiten we zelf de busreis te ondernemen naar de Braziliaanse kant, die van een grotere afstand een uitzicht biedt op de watervallen.
De tweede dag gaan we op pad met een gids, Gil. Gil, gewapend met snor en paraplu, brengt ons eerst over de grens en zorgt hierbij voor de benodigde stempels in onze paspoorten om ons vervolgens bij de eerste attractie af te zetten: het drielandenpunt Argentinië, Brazilië, Paraguay, dat niet te vergelijken is met het Nederlandse equivalent in Vaals. Waar het je daar lukt binnen een paar seconden alle drie de landen aan te raken, worden hier de landsgrenzen aangegeven door twee brede rivieren. Het is een hele klus om ook maar binnen een dag de drie landen te betreden, te meer door de grensprocedures die gelden voor ons Europeanen. Het drielandenpunt bestaat hier daarom drie keer en biedt ons vanuit het ene land uitzicht op de twee anderen.
Na deze ervaring en de nodige kiekjes brengt Gil ons naar het Argentijnse watervallenpark. Dit park heeft meerdere routes, deels lopend, deels per treintje af te leggen. Volgens Gil moeten we eerst naar "La Garganta del Diablo", oftewel "Devil´s Throat", want deze sluit als eerste. Na een ritje met een treintje dat zo volgestouwd wordt dat het nog nauwelijks vooruit komt, lopen we als een hele grote familie eenden achter elkaar over een brug van ongeveer een kilometer lang. De stalen roosters steunen op zwaar beton in het steeds heviger stromende water. We grappen over onze moeders, die zeker niet gedurft hadden hier overheen te lopen. Stiekem vinden we het zelf ook spannend, helemaal als we stukken brug zien van een oude route, verwoest bij een overstroming in 1992. Bovendien is de huidige route pas vandaag weer opengesteld, nadat hij een week dicht is geweest vanwege hoog water. Terwijl ik in regelmatige tred doorstap en niet probeer te denken aan wat de mogelijke gevolgen zijn als ik in het water val, komen aan de andere kant ons oude mensen tegemoet, die duidelijk een stuk slechter ter been zijn en voor de tweede keer de brug trotseren. Argentijnse schoolklassen met om de drie leerlingen een thermoskan mate in de hand, zijn net als de oudjes alweer op hun weg terug. Ook zien we de nodige botoxhoofden en neptieten op witte gympen de brug overlopen, die het hier wel lukt van het natuurschoon met al haar verval te genieten.
Als we aankomen bij "Devil´s Throat" krijgen we van Gil twintig minuten om te watervallen te bekijken. De naamgeving van dit natuurverschijnsel omschrijft nog het beste hoe het eruit ziet. Van alle kanten stort het water zich hier meters naar beneden. Wij staan bovenaan en kunnen door de weer opspattende nevel het eind van de waterstroom niet zien. Na de beleving van dit geweld zet ik de doemscenario´s uit het hoofd en leg ik de rest van de routes af zonder angst.
De hoge route leidt ons over de bovenkant van de watervallen en de lage route leidt ons daar langs de stromen waar het water in volle kracht naar beneden komt. Het geluid is oorverdovend en Joep merkt op dat dit geweld er altijd zal zijn. Je kunt ze niet uitzetten. Het klinkt als een constante stroom van heftig geruis met daar onder iets dat lijkt op een constant voorbij razende vrachtwagen.
Terwijl Gil de andere mensen op de boot zet kunnen wij onze gang gaan. Terug bij de uitgang vergeven we Gil dat zijn inbreng voor ons het geld niet waard is geweest, want wat had hij met woorden nog toe kunnen voegen aan deze ervaring? Ook ik kan de kracht van dit natuurverschijnsel maar moeilijk omschrijven en zelfs Joep´s prachtige foto´s dekken de lading niet.
Op de terugweg leidt Gil ons weer vlekkeloos langs de douane en zorgt voor de "salida" stempels in onze paspoorten.

dinsdag 13 september 2011

Veiligheid

Bij het kenbaar maken van mijn plannen om naar Latijns-Amerika te gaan, werd er vaak gevraagd naar de veiligheid in het betreffende land. Het schijnt er toch vaak corrupt te zijn. Bovendien hoor je veel over (drugs)criminaliteit, berovingen, andere gevallen van toeristje pesten en verongelukte bussen. De mensen die waarschuwen hebben veelal zelf nog nooit voet op dit continent gezet. Daarom een korte uiteenzetting van mijn ervaringen tot nu toe op het gebied van veiligheid in Latijns-Amerika.
Zowel op Cuba als in Lima als in Rio de Janeiro worden we tot in den treure gewaarschuwd en ingelicht over de gevaren die op de loer liggen. Niet alleen de thuisblijvers, maar ook de reisgidsen en locals werkzaam in de toeristenbranche dragen hier een steentje aan bij. Daarom proberen we als brave toeristen niet te koop te lopen met onze westerse rijkdommen, geen waardevolle bezittingen mee te nemen naar het strand, niet ´s avonds laat met het plaatselijke openbaar vervoer te reizen en geen afgelegen doodlopende straatjes in te lopen. Zouden wij dit zonder alle waarschuwingen wel doen? Ik weet het niet. Het blijft een kwestie van het gezond verstand gebruiken. Toen laatst in Rio een groepje jongetjes (high en wel) ons naar de tijd vroeg hebben we onze schouders opgehaald. Had Joep zonder de kennis van de gevaren wel zijn iPhone uit zijn zak gehaald? En hadden ze deze dan uit zijn handen gegrist en overgegooid totdat het toestel uit ons zicht verdwenen was? We zullen het nooit weten. De enige ervaring die ik heb met straatcriminaliteit is een beroving in de Utrechtse lijnbus en de verhalen over gestolen fietsen aldaar kan ik inmiddels niet meer tellen.
Naar de grootte van de kans op het worden van slachtoffer van een beroving of overval blijft het gissen. We doen er alles aan om het te voorkomen, maar constant schichtig om ons heen kijken maakt de kans niet kleiner en de reis er niet leuker op. Natuurlijk vallen we op hier en zijn we daarom een gemakkelijkere prooi. Ik, grote Europese vrouw, loop met een man van bijna twee meter lang op bergschoenen door een Zuid-Amerikaanse stad. Echter hebben we ons tot nu toe nog niet bedreigd gevoeld. Op Cuba was het een sport de toeristen in de val te lokken, in Lima was het lastig ongestoord op een bankje te zitten, maar hier in Rio worden we met rust gelaten, of in het beste geval goed geholpen. Ik vind het al met al een prettige stad, een monster van een stad, maar een stad met charme.

Ook een grote rol voor het gevoel van veiligheid speelt het verkeer. Voor ons als perfect georganiseerde Nederlanders, die deze ordening tot in de puntjes hebben doorgevoerd in het verkeer, moeten even slikken bij de chaos op de Latijns-Amerikaanse wegen. Bovendien stel je hier, net als in Lima en waarschijnlijk net als in alle Latijns-Amerikaanse metropolen, niets voor als ongemotoriseerde verkeersdeelnemer. Daarna geldt, hoe groter en hoe harder, hoe machtiger. Een studiegenoot uit Argentinië vergeleek de organisatie van het verkeer eens met de voedselketen, waarbij in Latijns-Amerika de bussen en de vrachtwagens bovenaan staan en in Nederland deze plek gereserveerd is voor de fietser. Waar ik me blijf verbazen over de roekeloosheid van de groten, verbaasde hij zich over de agressie die klinkt uit het gerinkel van een fietsbel.
Het gevoel van verkeersveiligheid stelt zich bij naarmate de tijd vordert. Nu staan we nog hulpeloos bij elke kruising de oversteekplaats te zoeken en dan te wachten, eindeloos te wachten voor het rode licht, totdat iedereen ons voorbij gelopen of gerend is en het uiteindelijk groen wordt. Misschien dat we straks, net als de locals een hogere plek in de voedselketen afdwingen en we ons steeds zelfverzekerder door de Latijns-Amerikaanse steden weten te begeven. Een gevoel van veiligheid is deels af te dwingen en zelf te creëren, met wat oplettendheid en ervaring

Lagoa Rodrigo de Freitas

Een oase van rust waar omheen de drukte van het moderne leven raast. Ik stel me voor dat het midden op het meer bijna stil is en je alleen het soppen van het water hoort dat door het mechanisme van de zwaan-waterfiets gaat. Hoe verder je naar de oever gaat, hoe meer je weer onderdeel wordt van de drukke stad. Dit zoutwatermeer is omringd door een loop-/fietsroute van acht kilometer. Hier lopen of fietsen de welgestelde Cariocas (inwoners van Rio) hun rondje, drinken ze melk uit een gekoelde kokosnoot om vervolgens terug te keren naar hun luxe, omheinde appartement. Hier omheen raast het verkeer door.
Het meer ligt in het zuiden van de stad. Het deel van de hogere klassen en het deel van de bekende stranden van Ipanema, surfstrand, en Copacabana, waar we op de boulevard met aan de ene kant een drukke weg en aan de andere kant het witte zand, een keur aan mensen tegenkomen. Toeristen en locals, flanerend, fietsend of hardlopend, in alle soorten en maten. Opvallend is dat er om de 200 meter een toestel staat waar je je spieren kunt rekken. De sfeer is ontspannen, ongedwongen en ook hier drinkt iedereen chopp of melk met een rietje uit een kokosnoot.
Dit deel van de stad lijkt voor de Cariocas heerlijk om te wonen en is voor de toeristen een heerlijke plek om te ontspannen en te feesten. Wij nemen na een fikse wandeling rond het meer en langs de stranden, de metro weer terug naar het noorden.

Santa Teresa

Via de Escaderia de Selarón, een trap die door een Chileense kunstenaar gedecoreerd is met meer dan 2000 tegels uit verschillende landen, bereiken we de boheemse buurt Santa Teresa. Deze buurt maakt, net als de buurt waar we overnachten en het centrum, deel uit van het noorden van Rio de Janeiro. Het deel van de middenklassen en lagere klassen. Het deel van meer armoede, maar ook het meer artistieke en levendige deel.
Toch liggen de steile straatjes er op dit uur van de dag stil bij. We wagen de klim door de buurt en worden getrakteerd op mooie uitzichten over de stad, een kijkje in een muziekschool, en een stevig potje voetbal met uitzinnige toeschouwers.